Kan je verhuizen met je kind na echtscheiding?

Verhuizen met kind na scheiding

Verhuizen met uw kind na scheiding? Dan kan de rechter u vervangende toestemming verlenen. Wil uw ex verhuizen met uw kind? Kijk dan of u dit kunt voorkomen.

Leg uw situatie gerust eens voor aan Thomas Christoph via zijn profiel op deze pagina om te kijken of en hoe hij u kan helpen. 

Regelmatig verschijnt jurisprudentie over een ouder die met kinderen wil verhuizen binnen Nederland of naar het buitenland. Indien de andere ouder daarvoor toestemming weigert, kan de rechter daarvoor vervangende toestemming verlenen op grond van artikel 1:253a BW. Ook als een ouder met kinderen reeds is verhuisd zonder die vervangende toestemming te verzoeken, kan de andere ouder daarover een procedure aanspannen. In dit artikel worden alle relevante en gepubliceerde uitspraken besproken, waarbij uitsluitend wordt ingegaan op verhuizingen binnen Nederland. De vraag wordt beantwoord of daarin een algemene lijn te ontdekken valt en in welke gevallen een dergelijk verzoek de meeste kans van slagen heeft.

Kan ik verhuizen met kind na echtscheiding?

Om u vast op weg te helpen legt Thomas in dit artikel alles aan u uit omtrent verhuizen met kind na scheiding. Krijgt u geen toestemming van uw ex om te verhuizen en wilt u vervangende toestemming om te verhuizen na uw echtscheiding? Of bent u reeds verhuisd en dreigt een rechtszaak?

Vervangende toestemming verhuizing

Bij geschillen tussen ouders kan de rechter op grond van artikel 1:253a BW de verblijfplaats van een kind vaststellen. Dit geldt ook als de verblijfplaats van de kinderen bij een van de ouders bepaald is en deze ouder met de kinderen wenst te verhuizen. Als de andere ouder zijn of haar toestemming voor verhuizing weigert, kan vervangende toestemming aan de rechter verzocht worden. In de rechtspraak zijn criteria tot stand gekomen, op basis waarvan de rechter een verzoek tot vervangende toestemming voor verhuizing beoordeelt. 

Criteria in de jurisprudentie

De uitspraak van de Hoge Raad van 25 april 2008 (HR 25 april 2008, LJN BC5901, de zogenaamde “Zwitserland zaak”) is maatgevend geweest voor de wijze waarop verzoeken tot vervangende toestemming voor verhuizing worden beoordeeld. In deze zaak oefenden de ouders het gezamenlijk gezag uit over de  kinderen die bij de moeder verbleven. De moeder was van plan te trouwen met een Zwitserse man van wie zij een kind verwachtte en zij wilde naar Zwitserland verhuizen met de kinderen. De vader had daartoe geen toestemming gegeven. De Hoge Raad oordeelde dat vooropgesteld dient te worden dat uit de omstandigheid dat in artikel 1:253a BW is bepaald dat de rechtbank een zodanige beslissing neemt als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt, niet mag worden afgeleid, dat het belang van het kind bij geschillen over gezamenlijk gezagsuitoefening altijd zwaarder weegt dan andere belangen. De rechter zal bij zijn beslissing over dergelijke geschillen alle omstandigheden van het geval in acht dienen te nemen. Dit kan er in het voorkomend geval ook toe leiden dat andere belangen zwaarder wegen dan het belang van het kind, hoezeer ook dat belang een overweging van de eerste orde dient te zijn bij de te verrichten afweging van belangen.

Op basis van deze uitspraak dient derhalve gekeken te worden naar alle omstandigheden van het geval. De criteria die een rol spelen bij de beoordeling van een verzoek tot vervangende toestemming tot verhuizing zijn naderhand in de jurisprudentie verder uitgewerkt. Daaruit kunnen de volgende criteria worden afgeleid:

  1. de noodzaak om te verhuizen;
  2. de mate waarin de verhuizing is doordacht en voorbereid;
  3. de door de verhuizende ouder geboden alternatieven en maatregelen om de gevolgen van de verhuizing voor de minderjarige en de andere ouder te verzachten en/of te compenseren;
  4. de mate waarin de ouders in staat zijn tot onderlinge communicatie in overleg;
  5. de rechten van de andere ouder en de minderjarige op onverminderd contact met elkaar in een vertrouwde omgeving;
  6. de verdeling van de zorgtaken en de continuïteit van de zorg;
  7. de frequentie van het contact tussen de minderjarige en de andere ouder voor en na de verhuizing;
  8. de leeftijd van de minderjarige, zijn mening en de mate waarin de minderjarige geworteld is in zijn omgeving of juist extra gewend is aan verhuizingen;
  9. de (extra) kosten van de omgang na de verhuizing.

Hierna worden deze criteria aan de hand van diverse uitspraken in het afgelopen jaar nader toegelicht.

Toelichting criteria

  1. De noodzaak om te verhuizen

Veel verzoeken tot verhuizing stranden op de noodzaak tot verhuizing. Enkel subjectieve redenen om te verhuizen zal in de regel leiden tot een afwijzing van een verzoek tot vervangende toestemming (Hof ’s-Hertogenbosch, 18 september 2014, ECLI:NL:GHSHE:2014:3811). Een verzoekende ouder kan voorts weliswaar stellen dat er sprake is van een (emotionele, financiële, medische dan wel huisvestings-) noodzaak, doch dient dit dan wel zorgvuldig te onderbouwen.  Zo had de verzoekende moeder volgens het Hof Arnhem-Leeuwarden (17 april 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:3243) niet voldoende aannemelijk gemaakt dat zij niet terecht kon in een woning in haar vorige woonplaats, noch had zij aangegeven welke concrete activiteiten zij had ontwikkeld om te proberen een woonruimte te verkrijgen (zie ook Hof Arnhem-Leeuwarden, 15 mei 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:4141 en 1 juli 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:5452). Indien er echter sprake is van een levering van een verkochte (echtelijke) woning aan derden, zal sneller aangenomen worden dat er een noodzaak bestaat om te verhuizen naar een nieuwe plaats (Hof Arnhem-Leeuwaarden, 19 december 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:9777). Voorts dient dan uiteraard nog wel onderbouwd te worden waarom er naar de gewenste nieuwe woonplaats verhuisd moet worden. Indien er bijvoorbeeld direct beschikbare woonruimte bij een nieuwe partner voorhanden is, kan de rechter vervangende toestemming verlenen om met de kinderen naar deze nieuwe woonplaats te verhuizen (Hof ’s-Hertogenbosch, 19 december 2013, ECLI:NL:GHSHE:2013:6104).

Een voorbeeld van een emotionele noodzaak tot verhuizing wordt beschreven in Hof Amsterdam (22 juli 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:3148). Als gevolg van gedragingen van de vader, het feit dat andere mensen hiervan op de hoogte zijn alsmede de bekendheid van partijen in hun woonplaats, wordt het voor de moeder ondraaglijk geacht om met de kinderen in de gezamenlijke woning van partijen te blijven. Mede op grond van deze omstandigheden wordt het verzoek van de moeder om haar vervangende toestemming te verlenen toegewezen.

Een ander veelgebruikt argument is dat een nieuwe partner gebonden is aan zijn of haar woonplaats in verband met diens (koop)woning, werk en/ sociale leven. De verzoekende ouder stelt dan vaak dat hem of haar geen andere mogelijkheid rest om met deze partner samen te wonen dan door te verhuizen naar de woonplaats van deze nieuwe partner. De verzoekende ouder zal dan echter goed moeten onderbouwen waarom de belangen van een nieuwe partner zouden prevaleren boven de belangen van een kind en de ouder die geen toestemming verleent. Dat dit niet altijd lukt blijkt uit de uitspraken van het Hof Arnhem-Leeuwarden, 15 mei 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:4141 alsmede 1 juli 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:5452 en het Hof Amsterdam, d.d. 21 mei 2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:254. Mijns inziens terecht is ook de overweging van de Rechtbank Noord-Nederland in haar uitspraak van 11 juni 2013 (ECLI:NL:RBNNE:2013:3470): door met een nieuwe partner te willen samenwonen en in financieel opzicht afhankelijk van hem te worden, ook al is het de bedoeling dat dit van korte duur zal zijn, brengt een moeder zichzelf en de kinderen in een kwetsbare en onzekere positie, mocht die bestaande relatie op enig moment onverhoopt worden verbroken.

Het kan echter wel zo zijn dat de (woon/ werk) omstandigheden van een nieuwe partner als steun argument gebruikt worden bij toewijzing van een verzoek tot vervangende toestemming (zie Hof Amsterdam, 8 april 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:1996 en Hof Arnhem-Leeuwarden, 18 maart 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:2219).

Een duidelijk voorbeeld van een financiële noodzaak tot verhuizing wordt beschreven in Rechtbank Den Haag, 16 januari 2014, ECLI:NL:RBDHA:2014:984: de moeder is juriste en was tijdens het uiteengaan van partijen als zodanig werkzaam. Zij droeg met haar inkomen, gebaseerd op haar functie op academisch niveau, in hoofdzaak bij in de kosten van de verzorging en opvoeding van de kinderen. In 2010 had zij vernomen dat haar functie in het kader van bezuinigingen zou komen te vervallen. Gelet op de financiële behoefte van haar gezin, is het voor haar noodzakelijk een nieuwe functie op vergelijkbaar niveau te kunnen bekleden, aldus de rechtbank. De moeder legt voorts een verklaring van een coach/ mobiliteitsadviseur van het ministerie waar zij werkte over, waaruit blijkt dat de moeder gezocht had naar een baan in de directe omgeving, maar dat dit niet mogelijk bleek. Na een zoektocht van bijna twee jaar, waarin vele netwerk- en sollicitatiegesprekken werden gevoerd, is het de moeder uiteindelijk gelukt een bij haar passende baan te vinden, zij het buiten de regio van de voormalige woonplaats. De moeder heeft hierbij nog toegelicht dat zij, gelet op de specifieke aard van haar expertise op het gebied van het milieurecht, aangewezen is op een beperkt aantal mogelijkheden. De rechtbank overweegt dat de moeder zich voldoende heeft ingespannen om een baan in haar directe woonomgeving te vinden, maar dat dit niet gelukt is. Het kan de moeder dan ook niet worden tegengeworpen dat zij een baan heeft geaccepteerd die haar financiële zekerheid (in de vorm van een vaste aanstelling) biedt. Op grond hiervan komt de rechtbank tot de conclusie dat er sprake is van een economische noodzaak tot verhuizing (voor eveneens toewijzing op grond van een financiële noodzaak zie Hof Amsterdam, 5 november 2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:3813; voor afwijzing op grond van een gestelde financiële noodzaak zie Hof Amsterdam, d.d. 4 juni 2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:1715).

  1. De mate waarin de verhuizing is doordacht en voorbereid

Indien een ouder midden in een schooljaar, zonder de uitkomst van een procedure af te wachten, besluit te verhuizen met de kinderen, kan dit tot gevolg hebben dat een hof een verzoek tot vervangende toestemming afwijst (zie Hof Arnhem- Leeuwarden 17 april 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:3243 en 8 april 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:2917). In de zaak van 17 april jl. heeft de betreffende moeder ook niet aangetoond over werk, familie of een sociaal netwerk te beschikken in de beoogde nieuwe woonplaats (zie ook Hof Arnhem-Leeuwarden, 21 november 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:9124). De conclusie van het hof Arnhem-Leeuwarden (in beide genoemde uitspraken) is dat de verzoekende ouder de gewenste verhuizing niet goed had doordacht. Het verhuizen zonder de uitkomst van een procedure af te wachten kan overigens ook tot gevolg hebben dat de betreffende ouder in kwestie onvoldoende betrouwbaar wordt geacht terzake de handhaving van afspraken met betrekking tot de omgang (Hof Arnhem-Leeuwarden, 1 juli 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:5452).

Het Hof Amsterdam acht in zijn uitspraak van 8 april 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:1996) de verzoekende moeder wel goed voorbereid in haar verzoek om te verhuizen: zij had reeds een baan gevonden waar zij twee dagen in de week kon werken. De moeder had voorts geïnformeerd naar de mogelijkheden voor de kinderen om de diverse sporten die zij beoefenen ook in hun nieuwe woonomgeving te kunnen voortzetten. Voor wat betreft de verzorging tijdens en na schooltijd van de kinderen, had zij ook de nodige voorzieningen getroffen. Op basis hiervan komt het hof tot het oordeel dat de moeder de voorgestane verhuizing met het oog op de belangen van de kinderen goed heeft doordacht en voorbereid.

Mijns inziens opmerkelijk is de uitspraak van het Hof Arnhem-Leeuwarden van 4 september 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:6899. Uit de uitspraak blijkt dat de moeder met het kind van partijen, haar nieuwe partner en hun twee kinderen in een nieuwe woonplaats verblijft. De vader had hiervoor toestemming gegeven bij wege van voorlopige oplossing. Voorts is van belang te melden dat de moeder en haar nieuwe partner hun woning in de voormalige woonplaats hebben verkocht en daarbij een nieuwe woning in de nieuwe woonplaats hebben aangekocht. Tevens blijkt uit de uitspraak dat bij een verkoop van de nieuw aangekochte woning er waarschijnlijk een verlies zou worden gelden. Tenslotte blijkt dat de moeder sinds februari 2014 zwanger is. Ondanks voorgaande feiten en omstandigheden oordeelt het Hof dat de moeder haar verhuizing onvoldoende heeft doordacht en gelast de moeder terug te verhuizen. Hierbij geeft het Hof de moeder (en haar nieuwe partner) wel negen maanden de tijd om weer in de voormalige woonplaats te gaan wonen. 

  1. De door de verhuizende ouder geboden alternatieven en maatregelen om de gevolgen van de verhuizing voor de minderjarige en de andere ouder te verzachten en/of te compenseren

Een verhuizende ouder zal duidelijke voorstellen moeten doen om de gevolgen van een verhuizing te compenseren. Dit kan zowel door bijvoorbeeld een uitbreiding van de contactregeling aan te bieden (Hof Arnhem-Leeuwarden, 18 maart 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:2219), doch ook in financiële zin (Rechtbank Limburg, 16 april 2014, ECLI:NL: RBLIM:2014:4046). Andersom kan verweer tegen de voorgenomen verhuizing succesvol zijn als de andere ouder bepaalde financiële garanties aanbiedt, zoals het blijven betalen van de hypotheeklasten van de huidige woning (Hof Arnhem-Leeuwarden, 8 april 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:2917).

  1. De mate waarin de ouders in staat zijn tot onderlinge communicatie in overleg

Indien de communicatie tussen de ouders problematisch was en is, bestaat het risico dat de verstandhouding tussen partijen en het overleg over de kinderen verder zal verslechteren wanneer een ouder gaat verhuizen. De contactregeling zal door een verhuizing immers niet alleen een inhoudelijke wijzing kunnen ondergaan, maar ook in praktische zin (zoals het halen en brengen) meer van partijen vragen. Hierdoor is het niet denkbeeldig dat ook de uitvoering van een contactregeling in gevaar komt. Een dergelijke verslechterde communicatie van partijen zal dan niet in het belang van de kinderen zijn en een afwijzing van een verzoek tot vervangende toestemming tot gevolg kunnen hebben (Rechtbank Noord-Nederland, d.d. 11 juni 2013, ECLI:NL:RBNNE:2013:3470).

Ook als er sprake is van een goed overleg tussen ouders en partijen zich flexibel naar elkaar opstelden in het verleden, wil dat niet zeggen dat een verzoek tot vervangende toestemming zal worden toegewezen (Hof Amsterdam, d.d. 21 mei 2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:2542).

  1. De rechten van de andere ouder en de minderjarige op onverminderd contact met elkaar in een vertrouwde omgeving

Dat een verhuizing ertoe zou leiden dat de gebruikelijke spontane doordeweekse contacten met de andere ouder niet meer mogelijk zouden zijn, is voor het Hof ’s Hertogenbosch reden voor een afwijzing van een verzoek tot verhuizing (17 oktober 2013, ECLI:NL:GHSHE:2013:4824; zie ook Hof Amsterdam, d.d. 21 mei 2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:2542). In dit geval overweegt het hof voorts dat in een fase in het leven van de kinderen, waarin veel veranderingen hebben plaatsgevonden en nog zullen plaatsvinden, het belang van een goed contact met beide ouders extra zwaar weegt. Ook als het contact tussen de vader en de kinderen zoals gesteld door moeder op dat moment stroef zou verlopen, is het hof van oordeel dat een verhuizing van de kinderen de relatie tussen de kinderen en de vader nog verder onder druk zou zetten.

Het belang van de moeder om terug te verhuizen omdat zij niet kan aarden in de huidige woonplaats, woog ook in een ander geval niet zwaarder dan de belangen van de kinderen en de vader bij handhaving van de huidige woonplaats. De moeder heeft onvoldoende onderbouwd dat de wijze waarop zij op dat moment contact onderhield met familie en kennissen niet langer zou volstaan (aldus Hof Arnhem-Leeuwarden, d.d. 13 juni 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:4273).

  1. De verdeling van de zorgtaken en de continuïteit van de zorg

In haar uitspraak van 30 januari 2013 acht de Rechtbank Noord-Holland de continuïteit van de hoofdverzorger van het kind van groter belang dan de continuïteit van zijn leefomgeving (ECLI:NL:RBNHO:2013:9819). De rechtbank neemt hierbij in ogenschouw dat de moeder de mogelijkheid moet hebben om haar leven opnieuw in te richten, het kind vier jaar oud is en net op de basisschool is begonnen.

De verbreking van de continuïteit van de woon- en sociale leefomgeving kan voor kinderen ingrijpend kan zijn, doch een verhuizing hoeft niet altijd zodanige nadelige gevolgen voor de minderjarige te hebben dat de belangen van de moeder om haar leven in de nieuwe woonplaats op te bouwen, hiervoor moet wijken (Hof Arnhem-Leeuwarden, 18 maart 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:2219 en Hof Den Haag, 13 augustus 2014, ECLI:NL:GHDHA:2014:2770). Hierbij kan ook van belang zijn de financiële stabiliteit die een verhuizende moeder zal kunnen bieden aan haar gezin (Hof ’s-Hertogenbosch, 30 oktober 2014, ECLI:NL:GHSHE:2014:4499).

Voorts zal een rechter een belangenafweging moeten maken: weegt een actieve rol van de vader in het leven van het kind zwaarder dan het belang van moeder (als ook van het kind) bij een verhuizing naar een nieuwe woonplaats? Deze vraag werd ontkennend beantwoord door het Hof Amsterdam in zijn uitspraak van 17 december 2013 (ECLI:NL:GHAMS:2013:4760), maar hetzelfde hof dacht hier anders over in zijn uitspraak van 2 april 2013 (ECLI:NL:GHAMS:2013:4981).

Van belang is ook de rol van de andere oudere in de schoolse activiteiten van de kinderen. Indien het voor die ouder bij een verhuizing niet langer mogelijk is om bij schoolse activiteiten aanwezig te zijn (terwijl de ouders bijvoorbeeld voorheen gezamenlijk naar tien minuten gesprekken gingen), kan dit leiden tot een afwijzing van het verzoek om te mogen verhuizen met de kinderen (Hof Arnhem-Leeuwarden, 21 november 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:9124).

  1. De frequentie van het contact tussen de minderjarige en de andere ouder voor en na de verhuizing

Indien een ouder voor de verhuizing reeds een beperkte rol vervult in het leven van het kind, hoeft een verhuizing van de minderjarige niet te resulteren in een substantiële vermindering en beperking van het contact tussen die ouder en het kind, ten opzichte van de vroegere situatie (Hof Arnhem-Leeuwarden, 18 maart 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:2219, Hof Amsterdam, 22 juli 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:3148 en Rechtbank Overijssel, 14 oktober 2014, ECLI:NL:RBOVE:2014:5699). Als een contactregeling, ondanks een vergrote reisafstand, nageleefd kan blijven, zal dit ook een toewijzing van het verzoek tot vervangende toestemming tot gevolg kunnen hebben (Hof Arnhem-Leeuwaarden, 19 december 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:9777, Hof Den Haag, 13 augustus 2014, ECLI:NL:GHDHA:2014:2770 en Hof Arnhem-Leeuwarden, 9 oktober 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:7819).

Indien er echter sprake is van een ruime contactregeling c.q. co-ouderschap zal een verhuizing vaak een drastische wijziging van de omgang met de andere ouder betekenen. Als dit het geval is kan de rechter tot een afwijzing van het verzoek komen omdat een verhuizing dan niet in het belang van de andere ouder en de kinderen kan worden geacht (Hof Amsterdam, d.d. 21 mei 2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:2542).

  1. De leeftijd van de minderjarige, zijn mening en de mate waarin de minderjarige geworteld is in zijn omgeving of juist extra gewend is aan verhuizingen

Een rechter zal uiteraard ook rekening houden met de mening van de kinderen (in de regel ouder dan twaalf jaar) bij een  beoogde verhuizing. Een voorbeeld waarbij de kinderen aan de Raad voor de Kinderbescherming en het hof te kennen hebben gegeven dat zij graag naar de nieuwe woonplaats willen verhuizen is te vinden in Hof Arnhem-Leeuwaarden, 19 december 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:9777. Het kan ook zo zijn dat de mening van het ene kind de verhuizing van een ander kind tevens bepaalt. In een uitspraak van het Hof Arnhem-Leeuwarden d.d. 13 juni 2013 (ECLI:NL:GHARL:2013:4264) had de moeder verzocht dat de kinderen bij haar zouden komen wonen in haar nieuwe woonplaats. De vader wenste dat de kinderen in de bestaande woonplaats zouden blijven wonen. Als de verblijfplaats van het oudste kind bij de moeder zou worden bepaald, dan was hij van mening dat het jongste kind bij hem diende te blijven wonen. Het oudste kind had tijdens kinderverhoor nadrukkelijk aangegeven in de nieuwe woonplaats te willen wonen. Het hof overweegt vervolgens dat de wens van het oudste kind ook de verblijfplaats van het jongste kind bepaalt: het belang dat kinderen samen blijven is van meer gewicht dan de wens van de vader dat een van de kinderen bij hem zou blijven.

Dat de mening van een kind niet altijd doorslaggevend is, blijkt uit de uitspraken van de Hoven Arnhem-Leeuwarden  (6 mei 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:3767) en ’s Hertogenbosch (17 oktober 2013, ECLI:NL:GHSHE:2013:4824). In deze zaken hadden de kinderen ter zitting dan wel bij brief aangegeven dat zij liever bij hun moeder wilden wonen c.q. wilden meeverhuizen. De hoven achten andere overwegingen echter zwaarder wegen op grond waarvan zij de verzoeken van de betreffende moeders afwijzen.

Indien er sprake is van (wat oudere) kinderen die geworteld zijn in hun omgeving, zullen deze omstandigheden zich ook verzetten tegen een gewenste verhuizing. Als de kinderen zijn geboren en getogen in hun woonplaats, daar naar school gaan en hun sociale contacten, vriendjes en familie hebben, zal een verzoek tot vervangende toestemming in de regel worden afgewezen (Hof ’s-Hertogenbosch, 18 september 2014, ECLI:NL:GHSHE:2014:3811). Ook het feit dat de kinderen tussen een rechtbankprocedure en de uitspraak van een hof inmiddels zijn verhuisd en zij afscheid hebben genomen van hun (voormalige) school, vriendjes en familie stond niet in de weg dat het verzoek tot vervangende toestemming alsnog werd afgewezen in de uitspraak van Hof Arnhem-Leeuwarden d.d. 1 augustus 2013 (ECLI:NL:GHARL:2013:7793).

In een geval waarin bij een kind een vorm van autisme was gediagnosticeerd, oordeelde de rechter dat dat kind juist daarom behoefte heeft aan duidelijkheid, structuur en regelmaat. Handhaving van de situatie waarbij het kind wisselend verbleef bij de moeder, bij de vader en bij de nieuwe partner van de moeder, acht de Rechtbank Limburg niet in het belang van het kind waardoor het verzoek om verhuizing wordt toegewezen (16 april 2014, ECLI:NL: RBLIM:2014:4046). Ook ADHD acht het Hof Amsterdam geen contra-indicatie voor een verhuizing in zijn uitspraak van 5 november 2013 (ECLI:NL:GHAMS:2013:3813). De aanwezigheid van een gezinsvoogd in het kader van een ondertoezichtstelling kan er eveneens toe leiden dat een rechter de belangen van de kinderen voldoende gewaarborgd acht (Rechtbank Overijssel, 14 oktober 2014, ECLI:NL:RBOVE:2014:5699).

Dat de moeder en de kinderen al geruime tijd voor datum indiening verzoekschrift verhuisd zijn en hun verblijfplaats inmiddels stabiel en bestendig is, was doorslaggevend voor het verkrijgen van vervangende toestemming (Hof Den Haag, 9 oktober 2013, ECLI:NL:GHDHA:2013:3830; zie ook Hof Amsterdam, d.d. 3 december 2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:4822). Als kinderen echter kort voor datum indiening verzoekschrift zijn verhuisd (tijdens de procedure in eerste aanleg), hoeft dit voor het Hof Den Haag niet te betekenen dat een verzoek om te verhuizen met de kinderen niet alsnog afgewezen kan worden, zelfs nu er in casu sprake lijkt te zijn van een kwetsbare minderjarige (16 augustus 2013, ECLI:NL:GHDHA:2013:3219).

Opvallend is hierbij nog de uitspraak van het Hof Arnhem-Leeuwarden d.d. 30 mei 2013 (ECLI:NL:GHARL:2013:4196). Een moeder die inmiddels meer dan een jaar (!) met de minderjarige in de nieuwe woonplaats woonachtig is, moet met de minderjarige terug verhuizen naar haar voormalige woonplaats waar de vader nog steeds woont. Het hof overweegt dat de minderjarige weliswaar in de nieuwe woonplaats naar school gaat en daar ook vriendjes heeft gekregen, maar dat het gezien zijn jonge leeftijd voor hem nu nog vrij makkelijk is om te veranderen van school en omgeving. Voorts is uit het onderzoek van de inschakelde deskundigen gebleken dat de minderjarige het fijn zou vinden als beide ouders weer dichtbij elkaar zouden wonen. Het lijkt – zo stelt de deskundige – dat de minderjarige het contact met en de inbreng van zijn vader mist. Hoewel de verhuizing voor de minderjarige opnieuw een grote verandering zou betekenen, is het hof ervan overtuigd dat de belangen van de minderjarige en de vader in casu zwaarder dienen te wegen dan het belang van de moeder (zie vergelijkbaar Hof Arnhem-Leeuwarden, 1 juli 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:5452).

Indien een kind al eens in de beoogde nieuwe woonplaats heeft gewoond en daar naar school is gegaan, kan de rechter hieruit afleiden dat de beoogde woonplaats voor de minderjarige geen onbekende omgeving is hetgeen een verzoek om te verhuizen toewijsbaar maakt (Hof Amsterdam, d.d. 17 december 2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:4760).

  1. De (extra) kosten van de omgang na de verhuizing.

Als na een beoogde verhuizing de extra kosten van de omgang dusdanig zijn dat beide ouders deze kosten niet kunnen dragen, kan dit ertoe leiden dat het verzoek om vervangende toestemming wordt afgewezen (Hof Arnhem-Leeuwarden, 21 november 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:9124).

Kan ik verhuizen met mijn kind na echtscheiding?

De besproken jurisprudentie heeft een casuïstisch karakter. Om vervangende toestemming te krijgen voor verhuizing met een kind moet een verhuizende ouder vooral goed en objectief onderbouwd aantonen dat het niet (alleen) zijn of haar eigen behoefte is om te verhuizen, maar dat hij of zij de verhuizing goed heeft voorbereid en alles heeft afgewogen en er voorts geen andere mogelijkheid was c.q. is om met de minderjarige samen te verhuizen. Dat deze belangenafweging, voorbereiding en noodzaak nog wel eens ontbreekt bij de ouder met verhuisplannen blijkt uit het feit dat het merendeel van de verzoeken tot vervangende toestemming (zij het met een krappe meerderheid) wordt afgewezen. Voor de andere ouder is het van belang om snel en doortastend actie te ondernemen zodra (of liever nog voordat) verhuizing aan de orde is.

 

Thomas Christoph

Echt Familierecht