Man heeft een koophuis en gaat samenwonen. Er is vervolgens in oktober 2017 een geregistreerd partnerschap aangegaan in gemeenschap van goederen zonder voorwaarden. Deze is vervolgens in 2023 ontbonden en ingeschreven in de registers.
Onderliggend is er een echtscheidingsconvenant opgesteld met duidelijke afspraken mbt de verdeling van de gemeenschap en de van toepassing zijnde wederzijdse rechten, verplichtingen en andere afspraken van wenselijk aard. Dit convenant is geaccordeerd, ondertekend en bekrachtigd bij de rechtbank.
In het convenant is afgesproken dat de man €15000 aan de vrouw dient te voldoen om tot een redelijke verdeling te komen. Daarnaast wordt gesteld dat de vrouw ontslagen dient te worden van hoofdelijke aansprakelijkheid mbt de hypotheek van de woning en dat er refererend aan de verdeling afgerekend dient te worden met de fiscus.
Beide partijen hebben na de officiële ontbinding van het partnerschap, elkaar niet moedwillig benadeeld en de (financiële) verdeling is nagenoeg afgewikkeld.
Echter heeft de fiscale afwikkeling tot op heden niet plaatsgevonden. Ook is er geen ontslag hoofdelijke aansprakelijkheid verleend aan de vrouw mbt de hypotheek van de woning. Volgens de onderliggende aktes is er namelijk geen sprake van een tweede partij.
Vrouw stelt nu dat er niet verdeeld is en claimt dat ze recht heeft op de helft van het vermogen die de woning vertegenwoordigd.
In het kort;
Er is een gemeenschap ontstaan.
Die is ontbonden met onderliggende afspraken naar elkaar middels een convenant. Vrouw heeft hierbij de volledige regie gehad.
De afwikkeling van deze overeenkomst is tot op heden nog niet volledig afgehandeld.
De man is niet aangemaand of gewezen op nalatigheid dan wel in gebreke daarvan gesteld.
De vraag is nu.
Is vrouw gerechtigd om, ondanks een onderliggend convenant, alsnog de helft van de toenmalige gemeenschap te claimen?
Geschreven door HenkVanDieren op
14 September 2025 om 20:17.